We horen het zowel binnen als buiten de kerkelijke context: kinderen hebben de toekomst! Als het gaat om klimaat of de kerk, we kijken vooruit naar het moment dat de kinderen volwaardig meedoen als volwassenen. Daar maken we mijns inziens een kardinale fout. Kinderen zijn niet de toekomst, ze zijn het heden. Als we nu niet investeren in de positie van kinderen in de kerk zijn we ze kwijt wanneer we van hun verwachten dat zij in de kerk zouden investeren.
Samen met mijn vrouw mag ik misschien wel het leukste en mooiste vrijwilligerswerk binnen de kerk doen: kindernevendienst geven. Wij hebben al een paar jaar de kinderen die in groep 5/6 van de basisschool zitten en dat is een prachtige groep. We lezen samen uit de Bijbel, praten er samen over na, doen een spel, puzzel of maken iets moois. We denken na over wat de woorden van de Bijbel voor ons te zeggen hebben. En ja, dat is soms best wel even pittig. Hoe zorg je ervoor dat je een tekst zo behandeld dat ze mee kunnen komen. Af en toe wil het ook weleens gebeuren dat de groep laag in de motivatie zit, dat kan zijn door weinig aansprekende thema’s of iets wat er onder de kinderen leeft. Ik ben ervan overtuigd dat ik niet mee kan komen in de leefwereld van de 8 tot 10 jarigen anno 2026 maar met oprechte interesse kom je best ver. En als het over de Donald Duck gaat kan ik nog een aardig eindje meebabbelen. Met het juiste haakje weet je de kinderen wel mee te krijgen en raak je zo nu en dan een schaar. Afgelopen zondag werd ik daardoor ook weer verrast en geraakt.
Psalm 139
1Voor de koorleider. Van David, een psalm.
HEER, U kent mij, U doorgrondt mij,
2 U weet het als ik zit of sta, U doorziet van verre mijn gedachten.
3 Ga ik op weg of rust ik uit, U merkt het op, met al mijn wegen bent U vertrouwd.
4 Geen woord ligt op mijn tong, of U, HEER, kent het ten volle.
5 U omsluit mij, van achter en van voren, U legt uw hand op mij.
6 Wonderlijk zoals U mij kent, het gaat mijn begrip te boven.
7 Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen?
8 Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar.
9 Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee,
10ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden.
11 Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken, het licht om mij heen veranderen in nacht,’
12 ook dan zou het duister voor U niet donker zijn – de nacht zou oplichten als de dag, het duister helder zijn als het licht.
13 U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder.
14 Ik loof U om het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat U gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.
15 Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor U geen geheim.
16 Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.
17 Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal,
18 ontelbaar veel, meer dan er zand is bij de zee. Ontwaak ik, dan nog ben ik bij U.
19 God, breng toch de goddelozen om, – weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –
20 ze spreken kwaadaardig over U, uw vijanden misbruiken uw naam.
21 Zou ik niet haten wie U haten, HEER, niet verachten wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen, zo fel als ik haten kan, ze zijn ook mijn vijand geworden.
23 Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt,
24 zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij op de weg die eeuwig is.
We lazen Psalm 139, een mooie Psalm waar de relatie met God een grote rol speelt. Hij weet alles van ons, wat we denken en wat we doen. “Hoe vind je dat? Dat God altijd alles weet en ziet?” “Ik vind het toch wel vervelend, als ik naar de wc ga heb ik liever niet dat ie meekijkt” was het antwoord van een van de toch wat stillere meiden. “Ja, inderdaad. God weet zelfs dat je dat daar zit, maar misschien kijkt Hij dan wel even weg voor je privacy.” Een ander vond het weer een geruststelling. “Als je even bang bent weet je zeker dat God dichtbij is.”
Kinderen zitten vol van pure geloofsbelijdenissen. Het ‘ongetwijfeld christelijk geloof’ lijkt soms iets te zijn wat voornamelijk opgaat voor de kinderen in de gemeente. Ze brengen een visie op geloven met zich mee die soms enorm ingewikkeld aanvoelt in de eenvoud. Wanneer we het hadden over de mensen die kwaadaardig over God spreken en niet in Hem geloven, dan wordt de vraag gesteld hoe het nou eigenlijk kan dat mensen niet geloven in God “Hij heeft je toch gemaakt?!” Ook voor mij als theologie student bleek dit weer een uitzonderlijk moeilijke vraag om te beantwoorden. Ik vraag het me soms ook af en een antwoord heb ik nog niet. De vraag is daarom maar aan de groep voorgelegd. “Wat denken jullie zelf?” en de antwoorden die dan volgen zijn weer even zo goed interessant als inspirerend.
Het gesprek aan de kinderen laten geeft een waanzinnig inzicht in de vragen waar zij zelf mee zitten, de vragen die voor hun leven. Maar het mooiste aan die vragen is dat ze niet gesteld worden vanuit een twijfel maar vanuit een overtuiging. Een overtuiging dat God bestaat en dat de mensen die dat niet geloven het (nog) niet begrijpen. Kinderen zijn nog niet belast met de gedachten van de wereld. De harde wereld die soms aan onze stoelpoten zaagt en onze grondvesten doet schudden. Velen van ons zullen twijfel ervaren hebben, ik hoor het ook veel om me heen. Omgevingen waarin geloven als een leuke hobby wordt gezien maar waar de werkelijkheid anders in elkaar steekt. Voor kinderen is die wereld vaak nog niet aangebroken. We zijn soms geneigd om onze vragen mee te nemen in de leefwereld van hun. Maar zetten we ze zelf aan het denken, dan komen er eenvoudige antwoorden op moeilijke vragen. Vragen en antwoorden die doordrenkt zijn van geloof, hoop en liefde. De dominee vroeg aan de kinderen wat je nodig hebt als je ziek bent en van de antwoorden was ‘het vertrouwen dat God je beter maakt’. Als ik dat hoor maakt mijn hart een sprongetje.
Wij, ‘volwassen’ mensen, zijn belast met schaamte, vooroordelen, angst en twijfel. Dat nemen we mee in onze gesprekken. Want hoevaak hebben we echt een hart tot hart gesprek met mensen die we oppervlakkig kennen over ons geloofsleven? Zeker met mensen die niet kerkelijk zijn voelt de drempel hoog om daarover te beginnen, laat staan om ze uit te nodigen om eens mee te gaan naar de kerk. David schrijft in zijn psalm dat hij de mensen haat die God haten en kwaad over Hem spreken. Zet je hem (misschien wat radicaal) door, dan kun je de vraag stellen of het verstandig is om met mensen om te gaan die niet geloven. De kinderen waren het er unaniem over eens: dat moet je wel doen. De kinderen hebben de ballast nog niet die wij met ons meedragen. De ballast van schaamte, vooroordelen, angst en twijfel. De verhalen die ik hoorde uit deze groep zijn de verhalen die ik de afgelopen jaren vaker heb gehoord. Kinderen uit de straat, van de sportvereniging of uit de klas die niet kerkelijk zijn opgevoed maar die wel af en toe meegaan naar de kerk “omdat het leuk is om samen te gaan”. Heel veel meer motivatie is er niet nodig voor die kinderen. Zij evangeliseren “omdat het leuk is”.
Nee, de kinderen zijn echt niet de toekomst van de kerk. Zij zijn veel meer dan de toekomst van de kerk. Zij zijn bij uitstek het heden van de kerk. Zij zeggen het zoals het is: God heeft ons gemaakt en het is leuk om samen naar de kerk te gaan! Deze kinderen zijn de evangelisten van de gemeente en verdienen een vooraanstaande plaats binnen de kerk zodat wij iets van hun vrijmoedigheid kunnen leren. Want Jezus zegt het zelf ook: “Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan.” (Mattheüs 18 vers 3).
Tot slot, ik begon mijn stukje met het uitspreken van de vrees dat we kinderen kwijt raken als we nu niet investeren in blijvende betrokkenheid. En ik denk dat het een redelijk risico is. Ook van ouders hoor je het terug “nu wil ze zelf nog wel mee naar de kerk, dat zal vanzelf wel anders zijn” maar er zijn ook ouders die hun kinderen liever thuislaten als er geen kindernevendienst is “omdat ze de preek niet kunnen volgen en zich gaan vervelen”. In die jonge kinderjaren moeten we ervoor zorgen dat kinderen dat ongetwijfelde geloof vast kunnen houden en daarin groeien. Dat vraagt om meer dan kindernevendienst, dat vraagt om volwassenen die naar ze omkijken en ervoor zorgen dat ze zich echt onderdeel van de gemeenschap voelen. Als kind heb ik dat mee mogen maken, mensen om mij heen die mij zagen als onderdeel van de gemeenschap van de kerk. Daardoor ga je ook vrijwilligerstaken oppakken en je ontwikkelen. Ik ben dankbaar voor zulke mensen en probeer, samen met mijn vrouw, ook zo te zijn voor de generaties na ons. Daarom hoop en bid ik dat wij als grote geloofsgemeenschap een plek mogen zijn waar we vandaag beginnen aan de ontwikkeling van de toekomst.
Wil je doorpraten naar aanleiding van dit stuk of heb je vragen? Neem dan contact op!
Dat kan via de mail of via LinkedIn